Home Bestemmingen Wandelen op Kaapverdië, een onontdekt wandelparadijs

Wandelen op Kaapverdië, een onontdekt wandelparadijs

0
Wandelen op Kaapverdië, een onontdekt wandelparadijs
Wandelen op Kaapverdië

Ongeveer 500 kilometer ten westen van de Afrikaanse kust, ter hoogte van Senegal, ligt een eilandengroep van negen bewoonde en nog eens zoveel onbewoonde eilanden: Kaapverdië, de Groene Kaap. Alleen is er bijna geen groen meer over. Zelfs de namen van sommige eilanden, zoals Sal (zout), Fogo (vuur) en Brava (woest), beloven niet veel goeds. Maar vergis je niet: de ruige heuvels en dorre vlakten verbergen heel wat onontdekte pareltjes voor wie wil wandelen op Kaapverdië.

Aan één ding ontsnapt vrijwel geen enkele bezoeker met een vlucht vanuit België: Sal. Dé toeristische trekpleister van de Kaapverdische eilanden. Zijn troeven? Een acht kilometer lang wit zandstrand en een laidback dorpje genaamd Santa Maria. De rest van het eiland is in miljoenen jaren kaalgevreten door een genadeloze oceaanwind: meer dan zoutvlaktes, droge steppe en een enkele palmboomoase vind je er niet. Maar in afwachting van een transfer kun je je prima een dagje op z’n outdoors vermaken. Wij huurden een mountainbike om het dorre eiland te verkennen. Goed voor vreemde beelden; of wat dacht je van een kerkhof vol schildpadskeletten, verlaten huizen en doorgeroeste auto’s, rood gezouten aarde en kilometers fietsen over ‘niets’? Toen we daar genoeg van hadden, trokken we richting strand om de kitesurfers te bewonderen. Eens wat anders dan wandelen op Kaapverdië.

Het Marsachtig gebied van Santo Antão

Dag twee vliegen we door naar São Vicente en na een nachtje slapen varen we met de ferry naar Santo Antão, onze wandelbestemming. Op zee staat er een behoorlijke wind; de bemanning deelt dan ook gretig kleine zwarte zakjes uit. ‘Zwart’ indeed, wegens ‘niet doorzichtig’ en daar ben ik dankbaar voor als ik de helft van de passagiers dubbel zie slaan.

Aangekomen in de havenstad Porto Novo zitten we meteen op een alluguer (een plaatselijk openbaar minibusje) naar de wandelvallei Figueiral de Paúl, onze uitvalsbasis. Al snel krijgen we een glimp te zien van het onvoorstelbare landschap dat ons te wachten staan. Eerst een woest, Marsachtig gebied van kale bergen met kleurschakeringen van roestrood tot donkerbruin. En dan, na een paar haarspeldbochten, een veel vriendelijkere wereld met dennen- en wat lager palmbossen, en kleine boerendorpen. Iedereen in de alluguer plakt met zijn neus tegen het raam. Ook de Kaapverdianen.

Onze eerste wandeldag organiseren we vlak bij ons ‘huis’, Casa das Ilhas, gerund door de Belgische Katelijne. Via de wandelweg 101 hiken we langs de rivierbedding naar boven. Bananen-, mango- en papayaplantages zijn onderweg ons deel. Iedereen lacht vriendelijk bom dia (goedendag) en schattige kindjes rennen ons achterna: ‘foto’, ‘snoepje’, ‘bic’.

In het dorp lopen we op een of andere manier verkeerd. Op aanwijzingen van een local nemen we daarom een pad dat ons moet leiden naar de Cova de Paúl, een vruchtbare vulkaankrater. Even later wordt de weg heel steil en moet ik moeite doen om mijn wandelmaatje bij te benen. We beginnen toch te twijfelen over het gekozen pad. Wandelkaart en gps erbij gehaald en wat blijkt: we zitten op een naamloze weg naar de Pico da Cruz, een bergtop van 1814 meter op zo’n zes kilometer van ‘onze’ vulkaan. “Geen probleem”, zegt Simon. “Want via de 104a komen we toch nog tot bij de krater en dan kunnen we via de 101 weer terug.” Hij heeft het allemaal al uitgedokterd.

Krater uit de sprookjes

Van de gemaakte vergissing hebben we geen spijt. Er is hier geen mens te bekennen en de natuur is ongelooflijk mooi; we genieten dan ook enorm. Ongemerkt maken de plantages en de fotogenieke pluimen van het suikerriet plaats voor een aangelegd dennenbos en hellingen met stug gras. De laatste klim is zwaar, maar wordt beloond: plots schieten we boven het wolkendek uit en zien we heel in de verte de zee. Het wandelpad zelf is afgeboord met tropische agaven, die na die naaldbomen heel bizar ogen. Op de top van de Pico da Cruz houden we halt om te lunchen – en om van het uitzicht te genieten, uiteraard.

Daarna is het makkelijk wandelen over een verharde weg naar de Cova de Paùl, een sprookjesachtig mooie krater waarin de tijd lijkt stil te staan. Een wolkenvlaag baant zich een weg over de kraterrand en verspreidt zich gulzig over de vlakte. Zulke cadeautjes krijg je niet vaak. Tussen enkele huizen en velden door wandelen we vervolgens naar de andere kant van de krater. Het juiste pad eruit vinden we niet, dus vragen we twee jongens of ze ons kunnen helpen. Hulpvaardig gaan ze ons voor, zij het dan via ‘de korte route’: absurd steil en loodrecht naar boven. Simon en ik hebben best een goede conditie, maar hun tempo ligt twee maal zo hoog. Bijna verontschuldigend staan de twee Kaapverdianen ons na enkele bochten op te wachten. Dan gaat het terug steil naar beneden over een kronkelend ezelspad. Mensen worden er een beetje draaierig van.

Dramatische kustwandeling

Dag twee voert ons naar Cruzinha, een onbeduidend dorpje aan zee, zo’n 20 kilometer verderop. De rit duurt bijna een uur, maar we kijken onze ogen uit. Eerst naar de mensen, dan naar de natuur. Eenmaal op onze bestemming aangekomen, gaan we te voet verder via de 12 kilometer lange 212 van Cruzinha naar Ponto do Sol (reken circa vier uur). Deze kustwandeling is van begin tot einde een aanrader. Sommige mensen vinden de trek na het mooie begin langs duinen, strand en kliffen ‘wat eentonig worden’, maar hen verklaar ik voor gek. Achter elke bocht en elke heuvel (en dat zijn er heel veel) ligt een ander (verlaten) landschap, een andere spectaculaire klif en een andere mysterieuze zee-inham. Wat wil een mens nog meer?

Onderweg komen we behalve vogels en een eenzame hond slechts enkele toeristen tegen. Zelfs deze makkelijk begaanbare route is nog niet echt door wandelaars ontdekt. Snel op verkenning zou ik zeggen, maar wees gewaarschuwd: het venijn van de trek zit ‘m in de staart. De weg naar het bergdorpje Fontainhas kronkelt eindeloos en het meest bizarre zijn al die perfecte kinderkopjes en nette muurtjes. Of dat staaltjes zijn van Kaapverdische handarbeid, of nog overblijfselen zijn uit de tijd van de slavernij, is me niet helemaal duidelijk.

Fontainhas zelf is op spectaculaire wijze gebouwd: over, door en rond alle rotsen heen. Er is maar één weg door het dorp en die ‘valt’ zo’n 350 meter naar beneden en gaat dan weer steil omhoog. Geen ontkomen aan. Mensen met wat een wat mindere conditie hebben het hier zwaar, getuige enkele rood aanlopende Britse toeristen. Maar geen nood: in het kuststadje Ponta do Sol wachten gezellige terrasjes waar je onder het genot van een fris pintje kunt uitblazen met zicht op zee.

Een stap in het onbekende

Enkele dagen en korte wandelingen later besluiten we een vrij onbekende trail te verkennen: de 208 van Boca das Ambas naar Espongeiro. Een feest voor het oog volgens onze wandelgids, maar noch collega-reizigers, noch onze gastvrouwen hebben er al van gehoord. Op zoek naar een alluguer dus. Die voert ons tot Ribeira Grande, waar we overstappen richting Boca das Ambas. Gewapend met windstopper, twee camelbaks vol water, wandel-gps en -kaart vangen we daar onze trek aan.

De eerste berghellingen links en rechts zijn bezaaid met terrassen waar landbouwers tussen de rotsen en bomen groenten, bananen en suikerriet verbouwen. Een halfuur later, in Chã de Lobinhos, houdt de weg plots op en trekken we via smalle paadjes de bergen in. De track gaat steil omhoog en het uitzicht is al snel overweldigend: voor je niets anders dan een eindeloze, geplaveide trail, die speels tussen de rotsen opduikt, en achter je een immense vallei.

Eenmaal op de bergkam kijk je naar een aaneenschakeling van pieken; dit massief gaat eindeloos door. Vervolgens daalt het pad lichtjes en baant het zich tussen de rotsen een weg naar de volgende vallei. Het landschap is dor en droog, maar spectaculair. Nooit geweten dat er zoveel tinten rood en bruin bestaan.

Anderhalf uur na Chã de Lobinhos (herkenningspunten hebben hier geen namen meer) kom je op een T-splitsing waar je een panoramisch zicht hebt op het massief Chã de Pedra en de valleien rondom. Nog een klim later passeer je eerst een verlaten, stenen huis en dan uitgestorven velden. Het gebrek aan water heeft de boeren op deze vlakte verdreven. Wat rest is een spookachtig plaatje. Heel bizar.

Langs nog meer stenen paadjes en gekleurde ravijnen banen we ons tot slot een weg naar beneden. Langzaam keren de bomen terug, eerst nog halfdorre dennen, dan weer lustig groen.

Ons plan om te liften van Lagoinha naar Espongeiro mislukt: tijdens de anderhalf uur durende wandeling komt er geen auto voorbij. En zelfs na Espongeiro, op de hoofdweg van Porto Novo naar Ribeira Grande, zien we een uur lang simpelweg niets. Tot het verkeer weer op gang komt na aankomst van de ferry. Gelukkig maar.

Afrika tout court

Na Santo Antão varen we weer naar São Vicente. Daar krijgen we een verpletterende blik op wat gebrek aan zoet water met een eiland doet. São Vicente is met zijn 227 vierkante kilometer een van de kleinste, maar meest verstedelijkte eilanden. Er wonen zo’n 70.000 mensen. In de negentiende eeuw floreerde het eiland enorm, maar rond 1885 daalde het scheepverkeer en was de teloorgang ingezet. Koppel dat aan te veel mensen, weinig inkomsten en weinig water en de miserie is compleet, inclusief jaren hongersnood waar duizenden Kaapverdianen aan tenonder zijn gegaan.

Vanwege het dorre klimaat heeft landbouw nu alleen nog betekenis voor het eigen levensonderhoud van de bevolking. Wat rest als enige andere bron van inkomsten is de visserij en het toerisme.

Een dagje doorbrengen in de hoofdstad Mindelo is geen straf. De stad leeft, heeft een bedrijvige vismarkt en leuke cafés, waar we in een Braziliaans aandoend sfeertje wat eten en drinken. Een wandeling over het platteland leert wat we al wisten: er groeit hier vrijwel niets.

Het laatste eiland dat we aandoen voor we via een tussenstop op Sal terugvliegen, is Santiago, het meest Afrikaanse eiland van de archipel. Santiago was vroeger dé lucratieve doorvoerhaven voor slaven. Wil je je daarin verdiepen, dan is hoofdstad Praia the place to be. Wij trekken van de luchthaven naar de Sucupira, de plaatselijke markt, om daar een alluguer te nemen naar het noordelijkste puntje van het eiland. De 85 km lange rit via São Domingos, de marktplaats Assomada en een bergketen met bochtige wegen is adembenemend: schitterende vergezichten, rotsmassa’s geflankeerd door palmbossen, geiten die je plots de weg versperren, kleurrijke mensen die langs de weg wachten op een minibus met een vrij plaatsje, de chauffeur die plotseling stopt omdat hij een praatje wil maken met een onbekende of geen wisselgeld heeft… ook dit is Afrika.

Op wandelgebied is er op Santiago veel te doen. In de bergketens Serro do Pico do António (1392 m) en Serra da Malagueta kun je je uren vermaken. Opnieuw mits een goede gids of wandelkaart en -gps, want wegwijzers zijn onbestaande. Wij houden het dit keer bij een bezoekje aan Santiago’s honderden jaren oude kapok tree en een blitsbezoek aan de schitterende westkust. Na nog drie dagen duiken in Tarrafal – voor de liefhebbers eveneens een aanrader! – keren we met pijn in het hart terug.

Zin gekregen? Lees dan zeker onze praktische tips.