Muurklimmen is een passie voor velen, waarbij rotsklimmen als het net-dat-beetje zwaardere werk wordt gezien. Uw redacteur klom al enkele jaren indoor, maar begon vorige week aan zijn cursus voorklimmen op rots. Volg mee de vorderingen!
Vorige week, na de eerste dag in Durnal, is het er niet van gekomen om een verslagje neer te pennen, maar dat zal je me vast niet kwalijk nemen. Zo’n eerste dag op de rotsen, dat is namelijk niet meteen met de meest spectaculaire acties. Een heleboel onwennigheid die je moet overbruggen, een eerste onveiligheidsgevoel dat je moet overwinnen en je eigen angst om te vallen die je moet overmeesteren. “We shall overcome” in het kwadraat, dus. Dat terwijl je de eerste technieken onder de knie moet krijgen en moet combineren met de technieken in klimmen die je op de muur al meester was.
Vanwaar die angst tijdens het voorklimmen? Ikzelf durf u met trots en zekerheid zeggen dat ik in mijn leven nog maar één keer hoogtevrees heb gehad, en dat was als kleine protter – zoals Bartel Van Riet het zo mooi verwoordt – toen ik in de Ardennen een oude mijnschacht ontdekte en ervan verschoot hoe diep deze put de grond bleek in te staren en ik mij hier nietsvermoedend net in wou werpen om me te verstoppen. Hoogtevrees heeft hier dus niet al te veel mee te maken, het is ook niet zozeer een angst om te vallen die je meester moet worden. Veeleer de gedachte die je krijgt telkens je van je setje (je laatste bevestigingspunt waar je het touw aan de muur bevestigde) wegklimt: “Als ik nu val, zwaai ik recht op die puntige rotsen waar ik net nog veilig op stond”. Veel meer dan bij het muurklimmen, waarbij vallen slechts betekent dat je aan het touw dat boven je jouw veiligheid verzekert, moet je durven vertrouwen op je eigen kracht en deze ook correct kunnen inschatten. In de klimzaal aan een te moeilijke route beginnen is geen probleem, in de rotsen eerder af te raden.
Vorige week leerden we ook enkele basisbeginselen. Wat moet je doen wanneer je boven aankomt aan het relais en hoe zorg je ervoor dat je veilig afdaalt, bijvoorbeeld. Ook een mastworp, een halve mastworp en een ankersteek waren knopen die we in minder dan drie seconden moesten kunnen leggen, maar van die eerste twee werd niet verteld waarvoor we ze zouden nodig hebben. Tot gisteren aan het massief Grands Mallades.

Gisteren leerden we niet enkel hoe veilig naar boven te klimmen en af te dalen, maar leerden we hoe we van bovenaf onze partner moeten zekeren. Hierbij komt meteen de mastworp van pas, omdat je je dus met deze knoop aan de relais – het rustpunt – vastkluistert om zo rustig het touw over je benen te hangen terwijl je je partner naar boven begeleidt. Is ook hij of zij boven aangekomen? Normaal klimt deze dan verder en wordt zo de voorklimmer, maar bij deze lage rotsen hang je dus gezellig naast elkaar en rustig “bouw je om”. Dit betekent dat je het touw op zo’n manier door het relais hangt, dat wanneer je beiden in rappel naar beneden bent afgezakt, je rustig het touw naar beneden trekt zonder dat je enkele musketons boven achterlaat. Om in rappel af te dalen gebruikten we de Reverso, ons zekertoestelletje, maar wat te doen als je dit ooit zou laten vallen? Heel hard wenen en je mama roepen? Neen hoor, daar komt die halve mastworp van pas die het zekeren en afdalen perfect mogelijk maakt zonder dat zekertoestelletje. Een extra veiligheid vormt het “prusik-koordje”, een kort touwtje dat je in een bepaalde knoop aan je gordel bevestigt en het touw blokkeert zodra je dit loslaat. Gaat het even te snel? Dan laat je gewoon los en hang je stil aan je touw.
Een grote boterham met veel theorie dus, gisteren. Dat merk je zelf ook – als je tot hier bent geraakt in mijn ietwat theoretische verslag. Toch zal hopelijk vanaf volgende week niet zozeer de theorie maar de klimprestatie de overhand nemen en hoop ik jullie met wat meer foto’s een fijn verslag te kunnen voorschotelen.
“Without gravity, we wouldn’t have a sport.” – Matthew Ketterling
foto’s: Bartosz Maj