Het sportmedisch onderzoek – Hoe is het gesteld met jouw fysiek?

Het sportmedisch onderzoek - Hoe is het gesteld met jouw fysiek shutterstock_423492955

Op TV zie je het wel eens: een topsporter op een crosstrainer met een zuurstofmasker op en allerlei plakkertjes op de borst, een tiental kabels aangesloten op ingewikkelde apparatuur en een grote monitor ernaast. Dat is niks voor de recreatieve sporter, toch? Jawel hoor. Het wordt zelfs aangeraden door ziekenhuizen en sportspecialisten! En dus ondergingen we zelf een sportmedisch onderzoek. Wat het precies is, en waarom de sportexperts het aanraden, dat leggen we uit.

Tekst & foto’s: Karlien Engelen / Openingsfoto: Shutterstock

Het sportmedisch onderzoek

Wat is een sportmedisch onderzoek?

Je kunt een sportmedisch onderzoek zien als een APK voor je lichaam. Tijdens het onderzoek onderga je een preventieve screening door een arts en voer je een inspanningstest uit. Je kiest zelf: fietsen of lopen. Welke metingen er precies worden uitgevoerd, bepaal je in overleg met de arts.

Ik deed een uitgebreid onderzoek bij UZA Sports en kreeg een ECG (hartfilmpje) in rust en in actie, je maximale hartslagfrequentie, een lactaatmeting (om je verzuring te meten), een ademgasanalyse (anaerobe drempeltest om je omslagpunt te meten) en je vitale longcapaciteit (VO2max).

Voor wie?

In principe kan iedereen zich opgeven voor een sportmedisch onderzoek. Het wordt vooral aangeraden voor personen die zeer intensief (willen) sporten en ouder zijn dan 35 jaar. En voor beginnende sporters die na jaren van inactiviteit weer met sporten beginnen. Het is dan belangrijk om je lichaam te checken voordat je het serieus gaat belasten.

Ben je bijvoorbeeld een recreatieve loper en wil je zoals ik voor een marathon gaan trainen, dan kun je het onderzoek laten uitvoeren om te weten of je geen gevaarlijke hartafwijkingen hebt, om te meten waar je vandaag staat qua conditie en om advies te krijgen van de sportfysioloog over de opbouw van je trainingen. De onderzoeken zorgen ervoor dat je op een veilige en verantwoorde manier je sport beoefent. En, als je dat wil, gerichter traint.

In sommige sporten en opleidingen is een sportmedisch onderzoek verplicht. Men spreekt dan van een sportkeuring. Dit is bijvoorbeeld het geval bij boksen, motorsport, parachutespringen, sportduiken en wielrennen. Om de sport te beoefenen, moet je een periodiek (basis)onderzoek laten uitvoeren.

Mijn onderzoek

Mijn doel is om langere afstanden te gaan lopen, van mijn standaardrondje van zes kilometer naar een halve marathon en meer. Ik ben nieuwsgierig naar mijn conditie. Ben ik wel zo ‘fit’ als ik denk? Na een telefoontje naar afdeling S.P.O.R.T.S. van het UZA vul ik een vragenlijst in op sportkeuring.be. Een week later mag ik al komen.

Ietwat zenuwachtig stap ik op de fiets. Zou er iets onverwachts uit het onderzoek komen? Doet zo’n vinger- of oorlelprik eigenlijk pijn? Gaat mijn hartfilmpje er gezond uitzien? Speelt mijn oude knieblessure straks niet op tijdens de maximale inspanningstest op de loopband?

—-> Eerste halte: de sportfysioloog

Het onderzoek begint met een aantal simpele lichaamsmetingen: lengte, gewicht, oogmeting en vetmeting. Dan word ik beplakt met zuignapjes voor de rust-ECG. “In Nederland noemen ze dat vaak een hartfilmpje, maar het is helemaal geen filmpje hoor”, aldus mijn fysioloog.

—-> Tweede halte: de sportarts

De sportarts ondervraagt me over mijn persoonlijke historie: ziektes in de familie? Andere medische bijzonderheden? Blessureverleden? Sportverleden? Dan volgt een gesprek over mijn huidige sportritme en mijn doelen voor de komende tijd. Hij werpt een korte blik op het hartfilmpje-dat-geen-filmpje-is, luistert naar mijn ademhaling, neemt mijn bloeddruk, voelt aan mijn spijsverteringskanalen, lever en milt, en buigt eens een been omhoog. Geen bijzonderheden gevonden, dus op naar het volgende onderdeel.

—-> Derde halte: de loopband!

Nu komt het echte werk: de inspanningstest. Ik krijg een hartslagmeter om, de fysioloog beplakt me opnieuw met zuignapjes en hij bindt me een groot mondstuk voor om door te ademen. Hij legt uit wat er gaat gebeuren: lopen tot ik het niet meer kan volhouden. Het tempo wordt elke 3 minuten verhoogd, en steeds moet ik even op de zijkant van de band springen voor de lactaatmeting: een kleine bloedafname via mijn oorlel. Oké, daar gaan we…

—-> Vierde halte: resultaten verwerken

Aan de hand van mijn metingen ontstaan er grafieken van hartslag, lactaatgehalte, VO2 en de gelopen snelheid. Terwijl ik ga douchen verwerken de experts mijn gegevens en stellen ze een advies op.

—-> Vijfde halte: resultaten en trainingsadvies

Pfieuw, ik ben goedgekeurd! Volgens de metingen en referentiewaarden zit ik goed en er zijn geen afwijkingen gevonden. Nu richten we onze blik op de toekomst. De fysioloog geeft me een trainingsschema mee en we bespreken hoe mijn lactaatcurve zal evolueren als ik op deze manier train. Hij legt uit dat het afwisselen van verschillende trainingen goed is, zowel voor je lijf als voor het mentale aspect. “Vergeet de krachttraining niet”, zegt hij. “Door ook je bovenlijf te trainen, versterk je je spieren én de aanhechting van je spieren op je botten, dit voorkomt blessures en fracturen.” Dan bespreken we mijn vraag over voeding en hij legt uit wanneer mijn koolhydraatreserves op zijn. We sluiten af met het advies dat draait om blessurepreventie: neem gas terug en bouw voldoende rust in wanneer je merkt dat het nodig is!

Hoe is het gesteld met jouw fysiek?

Een sportmedisch onderzoek is een goed plan als:

  • Je voor het eerst intensief gaat sporten.
  • Er hart- en vaatziekten in de familie voorkomen.
  • Je een aandoening of ziekte hebt.
  • Voor wie soms klachten heeft tijdens het sporten, zoals duizeligheid of hartkloppingen.
  • Je een ongewone vermoeidheid ervaart.
  • Je langzaam herstelt na inspanning.
  • Als je je trainingszones wilt berekenen.

Ook bij blessures of pijntjes tijdens het sporten kan een sportmedisch onderzoek inzicht geven. Of gewoon uit nieuwsgierigheid, om te weten hoe je ervoor staat, zoals ik!

Woordje uitleg over energiesystemen

Om het advies van de sportfysioloog goed te kunnen volgen krijg ik eerst wat uitleg over de verschillende energiesystemen.

Anaëroob alactisch

  • Korte krachtexplosie van maximaal 6 seconden.
  • Snelkracht, bijvoorbeeld powerlifting, hoogspringen en snelheid, bijvoorbeeld 50 tot 80 meter sprint.
  • Afbraak van energie in de spier (anaeroob = zonder zuurstof en alactisch = zonder lactaat).

Anaëroob lactisch

  • Maximale inspanningen tot 1 minuut.
  • Vermogen en uithouding, bijvoorbeeld 200 – 400 meter lopen.
  • De energielevering blijft zonder zuurstof, de spieren verzuren sterk en dit zorgt voor aanmaak van melkzuur (lactaat).

Aëroob

  • Inspanning van iets lagere intensiteit die je langer dan 1 minuut moet volhouden.
  • Uithouding, bijvoorbeeld meer dan 800 meter lopen.
  • De energielevering gebeurt meer en meer met tussenkomst van zuurstof, op basis van koolhydraten en vetten.

Type looptrainingen

Zoals gezegd is variatie belangrijk. En variatie is mogelijk. al deze trainingsvormen leggen een andere nadruk en dienen een ander doel. Snelheidstraining, weerstandstraining, intensieve duurtraining, extensieve duurtraining, fartlek, tempotraining, lange duurtraining, recuperatietraining, vetloop en intervaltraining… Kies jij maar.

Lees ook: het belang van training volgens een pro.

210317 100% Women Peak Challenge Zwitserland