Home Blog Pagina 2

Plugplug Trail D’Opale: 320 kilometer gravelplezier

Dé gouden regel van ultra gravel? Stel onderweg geen waarom-vragen. Waarom vertrek ik om 3.30 uur? Waarom fiets ik 200 mijl? Waarom waait het zo hard? En waarom lijken die laatste 50 kilometer langer te duren dan de eerste 100? Tijdens de Trail D’Opale van PlugPlug Gravel ontdek je dat niet elke vraag een antwoord nodig heeft. Soms volstaat het om te blijven trappen. Op weg naar de spectaculaire Opaalkust.

Tekst: Jan Van Herck (@mental.training.be) / Foto’s: Jan Van Herck & PlugPlug Gravel

PlugPlug Gravel

Jij gravelt, wij zorgen voor de rest”. Zo zou je de insteek van het bedrijf PlugPlug in een slagzin kunnen omschrijven. Ze zijn bekend voor de organisatie van gravelevents, fietsreizen en heuse weekends, allemaal met een niet competitief karakter. Plugplug zorgt voor een startdorp, voor warme koffie, voor een gps-route, voor checkpoints onderweg waar je water, sportdrank en wat voedsel kan aanvullen, voor een après bike… Kortom, voor alles wordt gezorgd. Alleen trappen, dat moet je nog zelf doen.

Doordat het geen wedstrijd is, krijg je automatisch een hoger community gevoel. En dat ervaar je ook écht tijdens de groepsstart, aan de bevoorrading en over de grindpaden. PlugPlug heeft ondertussen ook een reisorganisatie opgericht: PlugPlug Travel. Daarmee organiseren ze begeleide gravel-, mountainbike- en racefietsreizen naar bestemmingen zoals Slovenië, IJsland, Marokko, Oeganda en Sri Lanka. Gezien het feit dat het een bedrijf is en ze tientallen events per jaar organiseren, merk je dat er een evenwicht wordt gezocht tussen commerciële aanwezigheid en het sociale, familiale, amicale van gravel events. PlugPlug zit ergens midden in die balans.

De Opaalkust

En nu is daar dus de Trail D’Opale. 320 kilometer gravel vanuit het West-Vlaamse Veurne naar de Opaalkust. Die Côte d’Opale is een van de mooiste kustgebieden van Noord-Frankrijk en wordt gekenmerkt door brede stranden, duinen, krijtrotsen en spectaculaire vergezichten over het Kanaal. Op een zonnige dag kan je de witte kliffen aan de overkant zien liggen. Bekend zijn de 2 ‘neuzen’, de krijtrotsen van de Cap Blanc-Nez en de ruige kliffen van de Cap Gris-Nez.

En daar rijden we dus naartoe en weer terug. Goed voor een échte ultra gravel die de iconische kaap van de 200 mijl rondt net zoals grote internationale events zoals Unbound en The Traka. 320 kilometer over gravelwegen betekent al snel tussen de 12 en 15u fietsen en dus komen er extra zaken kijken bij zo een onderneming. Zoals een voedingsstrategie, de focus houden, mentale weerbaarheid tonen, omgaan met weersomstandigheden en de juiste materiaalkeuze. Over dat fi’zi:k materiaal tijdens een ultra gravel is er ook een artikel verschenen. Dat kan je hier nalezen.

Vroeg begonnen is half gewonnen

Vroeg begonnen is half gewonnen moeten ze bij PlugPlug gedacht hebben en om welgeteld 3u30 staat de groepsstart op het programma. Maar eerst ontbijten en toch maar een koffie of 2 a 3 drinken. Kortom: de voedingsstrategie op punt krijgen. Die groepsstart heeft een groot voordeel. Je kan jezelf relatief rustig in het wiel zetten en enkele gravelkompanen opzoeken die aan een gelijkaardig tempo rijden. En zo tikken we de eerste 60 kilometer gravel in het donker aan.

Geen nood echter, de opkomende zon doet niet alleen deugd aan het lichaam (het wordt warmer), ook de geest vaart er wel bij en met extra enthousiasme trappen we flink verder. Dat extra enthousiasme komt goed van pas wanneer het landschap overgaat van biljartvlak naar pittig en heuvelachtig. Zowel de eerste als de laatste 60 kilometer zijn vlak, dus dan weet je dat het op de tussenliggende 200 kilometer stoempen gaat zijn. We rijden vooral over veldwegen en over smalle (autoluwe) asfaltbanen. Bossen vallen er amper te bespeuren en wat ons betreft is dat enorm jammer. Jammer omdat we ons zo graag hadden willen verschuilen voor de regenvlagen maar vooral voor de strakke 4 beaufort Zuidwestenwind.

De 2 ‘neuzen’…

Ongeveer halfweg komen we in de buurt van dorpen als Ambleteuse en Wissant en bevinden we ons midden in het ‘Parc Naturel des deux Caps’. Met de neus vol in de wind zwoegen en zweten, trekken en duwen we onszelf en onze gravelbike over eerder ruwe gravelwegen. Die liggen bezaaid met vlijmscherpe, dikke stenen en menig deelnemer bijt hier zijn tanden maar vooral zijn binnenband op stuk. Rustig blijven, band pluggen en zowel de band als de morale wat oppompen is dan de boodschap.

Want de ‘caps’ dienen zich weldra aan! En van daaruit heb je een mooi zicht op de krijtrotsen aan ‘de overkant’, de kliffen rondom Dover in Engeland. Net op het moment dat wij er passeren klaart het een beetje op en aangezien het Kanaal hier slechts 32 kilometer breed is, krijgen we een adembenemend uitzicht als beloning voor al onze inspanningen. Euforie en adrenaline liggen kort bij elkaar maar na een zoveelste zware helling en in de wetenschap dat we nog 160 kilometer moeten rijden, nemen we even de tijd voor een foto, tanken voedsel en drank bij aan de bevoorrading en proberen vooral een tempo te zoeken dat we kunnen blijven rijden.

Het venijn zit in de staart!

Want zoals steeds zit het venijn in de staart. En dat zijn niet alleen de kilometers en de hoogtemeters (meer dan 3000 in totaal), maar vooral ook de forse wind en de zompige ondergrond. De bodem heeft de voorbije dagen veel regen te verduren gekregen waardoor de gravelwegen er soms gevaarlijk glad bijliggen. En als ze niet glad liggen dan zijn ze zwaar en lijkt het alsof de grindpaden niet alleen het water maar ook onze Schwalbe band proberen te absorberen. Geen champagne gravel maar ploegen als een werkpaard!

Gelukkig verandert naar het einde van de tocht ook het landschap (terug vlakker) en krijgen we wat meer variatie onder de wielen geschoven. Zoals de uitstap naar Duinkerke waar we ons pardoes tussen de dagjestoeristen bevinden. In de verte zien we Veurne al terug opduiken en horen we de vrolijke beats uit het startdorp. En zelfs de tegenwind deert ons even niet wanneer we de geur van BBQ aan de après bike al gewaarworden. Nog een laatste inspanning, nog een laatste push en dan vlijen we ons neer. Wij hebben gegravelt, Plugplug doet de rest…

Wil je weten wat voor materiaal we mee hadden? Lees onze test van Fi’zi:k hier.

Naar de Schwarzensteinhütte met Icebug en Katadyn

Wanneer je in de bergen gaat wandelen of een huttentocht gaat doen, heb je heel wat materiaal nodig dat je niet noodzakelijk veel gaat gebruiken in het dagelijkse Belgische leven. En toch loont het de moeite om daarin te investeren en te kiezen voor goede en duurzame producten. Wij klauterden naar de Schwarzenstein in Noord-Italië en namen Icebug bergschoenen en een Katadyn waterfilter voor je mee.

Tekst & foto’s: Jan Van Herck (@mental.training.be)

Icebug Rover 2 RB9X GTXIcebug Rover 2 RB9X GTX

Het Zweedse merk Icebug hoeft bij trouwe Far Out lezers weinig introductie. In het verleden hebben we namelijk van dit merk al eens Icebug Jarv en Myr trailschoenen getest. Omdat herhaling geen kwaad kan, belichten we nog graag even de principes van het moeder-zoon bedrijf. Ze zetten namelijk alle zeilen bij om een duurzaam product te maken, om zo weinig mogelijk impact op het klimaat te betekenen en om schoenen te maken met een uitstekende grip en een aangename pasvorm. Men wil een ‘wow factor’ bij de consument creëren en gelooft dat die ‘wow factor’ ook de beste reclame voor het merk kan zijn.

Het merk oriënteert zich breed en in hun gamma kan je zowel sneakers als wandelschoenen als trailloopschoenen als winterboots terugvinden. En dus ook bergwandelschoenen, hiking shoes genoemd. Wij gingen op pad met de Rover in de halfhoge versie (mid high). Wat vorm en eerste aanblik betreft, ziet het eruit als een bergschoen, met het grote verschil dat de schoen een Boa sluiting heeft in plaats van klassieke veters. Die Boa sluiting kom je vaak tegen bij fietsschoenen, maar voor wandelschoenen is dat toch eerder een uitzondering dan de regel.

Icebug Rover 2 RB9X GTXAlleszins bieden de schoenen een gemakkelijke instap en zijn ze in no-time vastgeklikt. Het Boa lace systeem zorgt ervoor dat de druk volledig over de wreef verdeeld wordt en bijgevolg ervaar je geen pijnlijke voeten. In tegendeel. Bij technisch klimwerk zoals tijdens een kort stuk via ferrata draai je de schoenen wat harder aan om meer greep te hebben op de situatie. Wanneer het losser kan, is het met 1 klik ook losser gezet.

Greep op de situatie en een veilig gevoel krijg je natuurlijk ook door een dikke, duurzame maar vooral stevige zool onder de schoen. Daar waar de voet contact maakt met de grond, is stabiliteit erg belangrijk. Icebug heeft dat goed begrepen en de RBX9 GTX zool is speciaal door hen ontworpen om aan die eisen te voldoen. De bergtochten bevestigen dat ook. Een stevige, duurzame, waterdichte, veilige en gemakkelijke schoen. Kostprijs voor al dat positiefs: 219,95 euro.

Katadyn BeFreeKatadyn BeFree

Drinkbaar water. Met de hitte van de afgelopen zomerperiode in het achterhoofd is dat méér dan ooit een topic. Ook in de bergen is het niet evident om zomaar aan water te geraken, laat staan dat het drinkbaar water is. De gevolgen van vochttekort bij een mens zijn trouwens groot en hebben meteen een impact op lichaam en geest. Vanaf 2% vochtverlies ervaar je een dorstgevoel maar die 2% zorgen intussen wel voor 10% prestatieverlies. Laat staan dat je meer vochtverlies zou opstapelen.

Om dat te vermijden én vooral om aan drinkbaar water te geraken, heeft het Zwitserse Katadyn de BeFree AC op de markt gebracht. Simpel gezegd is dat een drinkbidon zoals je deze kent van op de racefiets of de gravelbike, maar dan met een ingebouwde waterfilter erin. De fles past perfect in een drinkbushouder en kan dus ook voor op de fiets gebruikt worden. Voor de filtering zorgen 2 systemen. Enerzijds de membraanfilter met hele fijne mazen (0,1 micron) waardoor de bacteriën en ander vuil al wordt tegengehouden. En vervolgens een actieve koolfilter om de laatste restjes eruit te halen, de smaak en de helderheid te verbeteren.

Katadyn BeFreeEen filtersysteem stroomt altijd ‘trager’ dan gewoon van een fles drinken want het water moet door die 2 filters geraken. Dat spreekt voor zich. Volgens Katadyn heeft deze filter een debiet van 2 liter per minuut en dat wil dus zeggen dat je een bidon van 700ml op minder dan een minuut leeg krijgt. Daarnaast moet je rekening houden met de houdbaarheid van de filters zelf. De membraanfilter houdt het 1000 liter vol terwijl je bij de actieve koolfilter vroeger aan vervanging moet denken en na 200 liter een nieuw blok moet steken. Als je gemiddeld 2 liter water per dag filtert, kom je met dit systeem tot 100 trekdagen toe.

Systemen die technisch goed ontwikkeld zijn en kwaliteitsvol materiaal bevatten, kosten ook wel wat geld. Bij een drinkfles met filtersysteem is dat niet anders en voor de BeFree AC van 0,7 liter tel je 51,95 euro neer. Maar de prijs voor ziek worden van ongefilterd water ligt vele malen hoger en dus moet je dit niet beschouwen als een (on)kost maar als een investering in gezondheid.

Naar de Schwarzensteinhütte vanuit het AhrntalNaar de Schwarzensteinhütte

De theorie klinkt mooi, maar wat betekenen de schoenen en de drinkfles in de praktijk? Zijn ze de mooie woorden en de kostprijs waard? Om dat te ontdekken en vooral om een fijne bergtocht te beleven, gingen we op trektocht naar de Schwarzensteinhütte. Die hut is te bereiken vanuit het Ahrnthal, een relatief onbekend dal in het Noorden van Italië, flirtend met de Oostenrijkse grens. De hut zelf bestaat al lang (sinds 1894) maar is in 2017 helemaal opnieuw opgebouwd en zelfs een beetje hoger gelegd zodat het de grens van 3000 meter overschrijdt.

De tocht start rustig en gestaag gaat het over een breed grindpad naar omhoog. We wandelen nog wat langs een kabbelende bergrivier en zowel de ademhaling als de vermoeidheid zijn nog perfect onder controle. Maar daar komt snel verandering in wanneer we de grindweg verlaten en over een smal en kronkelend pad van steen naar steen omhoog stappen. We hebben ruim 1600 hoogtemeters te overbruggen, dus dat gaat hier wel even duren.

De eerste zweetdruppels parelen over het voorhoofd, de eerste ademhaling wordt wat sneller, de eerste slokken uit de fles worden gretig gedronken. We blijven maar klimmen en dan is het zaaks om een tempo te zoeken dat je kan blijven volhouden. Naar boven knallen heeft hier geen zin. Ook niet omdat het ‘pad’ geen pad meer is. We kruipen namelijk over een immense steenlawine (ex gletsjer) in de richting van wat rood-witte verfstrepen. Hier profiteren we zeker van de goede grip onder onze Icebug schoenen.

Naar de Schwarzensteinhütte vanuit het AhrntalHet tempo stokt, net zoals onze ademhaling. Enkele korte stukken via ferrata komen eraan. De bestemming (lees: de berghut) is in zicht, maar tegelijk ligt ze nog zo hoog boven ons en zo veraf dat het zowel motivatie als ontmoediging tegelijk brengt. Gelukkig komen we een bron (met een bord ‘quelle’ erbij) tegen en kunnen we de Katadyn bidon helemaal vullen, leegdrinken en weer vullen. Op naar het laatste uur klimmen en klauteren.

Eens boven aan de hütte aangekomen, is de aanblik overweldigend. Getriggerd door fysieke vermoeidheid worden ook de emoties gekleurd en we staan vol bewondering te kijken naar deze architecturale parel op 3026 meter hoogte. De hexagonale vorm, de stalen constructie en de houtafwerking zorgen voor een moderne look en voelen (hoe vreemd het ook klinkt) passend aan in deze voormalige gletsjermonding. Maar de échte beloning is het magistrale uitzicht over het Zillertal, het Hohe Tauern gebergte en de Dolomieten…

Winnaar Craghoppers SolarShield+ T-shirt bekend!

0

Met een Craghoppers NosiLife SolarShield+ T-shirt ben je klaar voor zonnige wandelingen en andere outdooravonturen. De lichte, sneldrogende stof biedt UPF 50+ bescherming tegen uv-straling en dankzij de NosiLife-technologie krijgen ook bijtende insecten minder vrij spel.

Heel wat Far Out’ers waagden hun kans op zo’n shirt voor hem of haar. Maar er kan er natuurlijk maar één winnen.

Gefeliciteerd aan:

Erwin Ocula

Erwin krijgt het Craghoppers NosiLife SolarShield+ T-shirt in de opgegeven maat automatisch toegestuurd naar het opgegeven adres.

Veel plezier ermee, Erwin – en duimen dat de nazomer nog een paar mooie outdoor­dagen in petto heeft! ☀️

#craghoppers #solarshield #nosilife #faroutgreatoutdoors #winactie

Win een Craghoppers SolarShield T-shirt voor hem of haar

4

De zomer loopt stilaan op zijn laatste benen, maar stiekem hopen we natuurlijk nog op een mooie nazomer. Maar zelfs als de temperaturen wat lager liggen of de wolken zich laten zien, betekent dat niet dat je huid geen uv-straling meer te verwerken krijgt. Met een SolarShield T-shirt van Craghoppers trek je dus ook de komende maand goed beschermd naar buiten. Nog mooier nieuws is dat we van Elements bv, de Belgische verdeler van Craghoppers, zo’n shirt mogen weggeven. Waag je kans!

Een frisse wind, wat wolken voor de zon: het is verleidelijk om te denken dat zonbescherming dan niet meer zo belangrijk is. Toch zegt de temperatuur weinig over de hoeveelheid uv-straling die je huid bereikt en kunnen uv-stralen ook door bewolking heen komen. Zeker wie urenlang buiten wandelt, fietst of reist, kan dus ook op zo’n typische nazomerdag ongemerkt behoorlijk wat zon meepikken.

De SolarShield-technologie van Craghoppers is ontwikkeld om je tijdens zulke dagen extra bescherming te bieden tegen schadelijke uv-straling. De shirts zijn licht en comfortabel en gemaakt voor actieve dagen buiten. Ideaal dus als we in september nog een paar mooie wandeldagen cadeau krijgen – en anders liggen ze alvast klaar voor je volgende zonnige avontuur.

Wat kan je winnen?

Eén winnaar krijgt een Craghoppers NosiLife SolarShield+ T-shirt naar keuze voor hem of haar. Beide modellen zijn gemaakt van licht, sneldrogend gerecycled polyester en combineren verschillende outdoorfuncties in één shirt.

De SolarShield+ stof biedt UPF 50+ bescherming en blokkeert 98% van de UVA- en UVB-stralen. Daarnaast voert het materiaal vocht snel van de huid af, zodat het shirt ook tijdens een stevige wandeling of op warmere dagen comfortabel blijft. De ingebouwde NosiLife-technologie helpt bovendien beschermen tegen bijtende insecten en neutraliseert geurtjes tijdens het dragen. Dat klinkt technisch, maar in de praktijk zijn het vooral eigenschappen die je onderweg merkt: het shirt is licht, droogt snel en blijft langer fris. 

Voor haar is er een lichtgewicht langarmmodel met een ontspannen pasvorm van ongeveer 150 gram. De herenversie heeft eveneens lange mouwen, een regular fit en een iets langer rugpand; die weegt ongeveer 188 gram. Daarmee zijn het shirts die je makkelijk aantrekt tijdens een wandeling, maar net zo goed klein in je rugzak stopt voor een reis of meerdaagse tocht.

Hoe deelnemen?

Onze winactie loopt van maandag 31 augustus t/m zondag 6 september. Volg gewoon onderstaande stappen.

1. Geef het ANTWOORD op de volgende wedstrijdvraag.
Welke technologie gebruikt Craghoppers in deze T-shirts om je huid tegen uv-straling te helpen beschermen?

2. Kies man/vrouw en geef je maat door (S, M, L, XL, XXL).

3. Vul je antwoord op vraag 1, 2 en je gegevens vóór maandag 7 september 2026 in op het wedstrijdformulier hieronder. (*) Alleen complete mails komen in aanmerking, dus mét het antwoord op de wedstrijdvraag, je naam, adres- en contactgegevens.

Deelnemers die ons volgen op Instagram of Facebook maken een extra kans:
www.instagram.com/farout.be of www.facebook.com/farout.be
www.instagram.com/craghoppers of www.facebook.com/Craghoppers

#craghoppers #solarshield #nosilife #faroutgreatoutdoors

4. Een onschuldige hand trekt maandag de winnaars en maakt deze 8 september 2026 bekend.

Veel succes!

Veel succes – en duimen voor nog een flinke portie nazomer!

    Ja, ik wens op de hoogte te blijven van verdere winacties en het laatste outdoornieuws.
    (Optioneel.)

    Ik ga akkoord met de algemene voorwaarden van de website.
    (Je kunt het formulier alleen versturen als je dit vakje aanvinkt.)*

    Lees hier onze algemene voorwaarden. Door dit vakje aan te vinken ga je uitdrukkelijk akkoord met de verwerking van je persoonsgegevens door Far Out in overeenstemming met ons privacybeleid en voor de doeleinden daarin bepaald. Je bent niet verplicht om je toestemming te geven en je hebt steeds het recht om je toestemming op elk ogenblik en zonder opgave van redenen in te trekken, zonder dat de rechtmatigheid van de verwerking gebaseerd op de toestemming voor de intrekking wordt beïnvloed. Gelieve ons in dat geval een e-mail te sturen.

    Getest in de Australische bush: keukenitems van Sea to Summit

    Een warme koffie wanneer de zon opkomt, pasta na een lange wandeldag of iets ambitieuzers boven het gasvuurtje: buiten smaakt eten bijna altijd beter. Alleen moet je die keuken eerst meenemen. Sea to Summit bouwde zijn Camp Kitchen-collectie daarom rond verschillende soorten buitenkokers. Wij namen twee blikvangers mee op kampeerweekend in de West-Australische bush.

    Tekst: Sandra Gyles

    Een keuken in de buitenlucht kan zowat alles betekenen. Voor een thru-hiker is een pot, beker en spork al behoorlijk luxueus. Wie met de auto, camper of kajak op pad is, wil misschien liever een echt bord, een aparte kom en een fatsoenlijke koffiemok. Sea to Summit speelt met zijn Camp Kitchen in op die verschillende scenario’s. Aan de ultralichte kant zit Frontier, met onder meer aluminium potten en een opvallende reeks inklapbare potten, kommen en bekers. Horizon kiest voor licht maar vormvast servies dat meer aanvoelt als wat je thuis uit de kast zou halen. Daarnaast omvat de Camp Kitchen nog heel wat meer, van bestek en keukengerei tot waterzakken en afwasmateriaal.

    Wij testten twee zeer verschillende items uit de collectie: de Frontier Ultralight Collapsible One Pot Cook Set 1L en de zesdelige Horizon Dinnerware Set.

    STS Camp Kitchen - FrontierEen kookpot die bijna verdwijnt

    De Frontier-set maakte bij het inpakken meteen de meeste indruk. Een kookpot van één liter, beker én spork nemen samen verrassend weinig plaats in. De silicone wanden van pot en beker vouwen in en de complete set wordt amper enkele centimeters hoog. Voor wie alles in een trekkingrugzak of bikepackingtas probeert te puzzelen, is dat geen gimmick. Een klassieke kookpot is misschien licht, maar blijft vooral een groot rond ding waarrond je de rest van je bagage moet organiseren. De Frontier klapt simpelweg plat.

    De complete driedelige set weegt 259 gram. Daarvoor krijg je een 1-literpot, een inklapbare beker en een korte aluminium spork. De pot zelf weegt net geen 200 gram. Tijdens onze trips bleek vooral hoe snel je vergeet dat je eigenlijk met een deels silicone kookpot werkt. De harde, geanodiseerde aluminium bodem staat rechtstreeks boven de brander en verdeelt de warmte, terwijl de hittebestendige silicone wanden de pot zijn inklapbaarheid geven. Water koken, pasta, couscous of een eenvoudige eenpansmaaltijd: geen probleem.

     

    Wel belangrijk: dit is geen koekenpan. Sea to Summit adviseert de collapsible pot voor gerechten op waterbasis en waarschuwt expliciet tegen bakken of frituren. Olie kan temperaturen bereiken die te hoog zijn voor de constructie.

    Eerst water, dan vuur

    Tijdens het testen ontdekten we ook een klein aandachtspunt dat vooral relevant is voor ultralight trekkers. Ik had zowel een comfortabele tweepits gasbrander als een piepklein trekkingbrandertje mee. Een trekkingbrander bespaart uiteraard veel gewicht en ruimte, maar in combinatie met de lege Frontier-pot ontstond een behoorlijk topzwaar geheel. Dit was ik niet gewoon van mijn oude (en toegegeven, niet zo compacte) trekkingset.

    De stevige Click Safe-handgreep steekt vrij ver uit en heeft genoeg gewicht om een lege pot op zo’n kleine brander uit balans te brengen. Maar de oplossing  bleek bijzonder eenvoudig: eerst de pot vullen en pas daarna op de brander zetten. Zodra er voldoende water of eten in zat, zorgde dat extra gewicht voor een stabiele opstelling. Sea to Summit koos hierbij bewust voor een roestvrijstalen handgreep omdat een stevige grip belangrijk wordt zodra je met kokend water werkt. En nee, de handgreep bleek niet te warm, waar ik eerst even voor vreesde.

    Slimme details

    Zoals we ook bij de slaap- en tentuitrusting merkten, zit veel van Sea to Summit’s ontwerpwerk in kleine dingen. Zo vergrendelt de Click Safe-hendel stevig tijdens het koken en kan hij bij het inpakken worden omgedraaid om het deksel en de spullen in de pot op hun plaats te houden. Het deksel heeft dan weer een LidKeep waarmee je het aan de rand van de pot hangt. Klinkt futiel. Tot je op een zanderige of stoffige kampeerplek staat met een deksel in je hand en beseft dat je het nergens wil neerleggen.

    De 1-literpot kan bovendien meteen als eetkom dienen. Dat scheelt opnieuw een stuk afwas én bagage. Het hele Frontier-concept draait eigenlijk rond dat soort efficiëntie: spullen kleiner maken wanneer je ze niet gebruikt en verschillende functies combineren wanneer dat logisch is. De collectie kreeg daarvoor in 2023 overigens goud bij de Australian Good Design Awards.

    Meer comfort

    Is inklapbaar altijd de beste keuze? Niet noodzakelijk. En dat brengt ons bij de Horizon Dinnerware Set. Na het ingenieuze gevouw en geklap van Frontier lijkt Horizon bijna ouderwets eenvoudig: een bord, kom, geïsoleerde mok, driedelig bestek en een mesh opbergzak. Alles is vormvast en wordt in elkaar gestapeld in plaats van platgedrukt. Met een ingepakte maat van ongeveer 25 x 23 x 9,5 centimeter de neemt de complete set onvermijdelijk meer plaats, maar met 330 gram blijft het geheel verrassend licht.

    Voor een meerdaagse trekking zou ik eerder naar de Frontier grijpen. Maar zodra gewicht en volume iets minder kritisch worden, heeft Horizon andere voordelen. Het bord en de kom voelen simpelweg meer als echt servies. De hoge zijkanten helpen om je avondeten binnenboord te houden wanneer je het bord op schoot hebt en een gevormde duimgreep maakt vasthouden makkelijker. En wederom let Sea to Summit op de details. Zo zijn er de CoolGrip-ribben die de warmteoverdracht naar je handen beperken. Kan je de lepel- en vorhandvatten in elkaar klikken voor een langer bestek (bijvoorbeeld om in de pot te roeren of uit een zak met een gevriesdroogde maaltijd te eten). En houdt de dubbelwandige mok met deksel je drankje langer warm.

    Van minimalistisch tot behoorlijk culinair

    Daarmee werden de doelgroepen van beide systemen tijdens onze test eigenlijk vanzelf duidelijk. Als ik met een trekkingrugzak vertrek, wil ik dat mijn keuken na het ontbijt zo klein mogelijk wordt. Dan is de Frontier-collectie briljant. Pot inklappen, beker erin, spork erbij en weg ermee. Met de auto of 4WD naar een kampeerplek? Dan zou ik mezelf die paar extra centimeters gunnen en Horizon meenemen. Je hebt meer afzonderlijke onderdelen, eet comfortabeler en hoeft niet noodzakelijk uit dezelfde pot te koken én eten.

    Wie in Sea to Summit’s Camp Kitchen duikt, ontdekt bovendien dat je veel verder kunt gaan dan onze testset. Binnen Frontier zijn er onder meer inklapbare potten en ketels, afzonderlijke kommen en bekers en grotere sets voor twee personen. Wie wel licht wil koken maar geen nood heeft aan inklapbaarheid, vindt er ook klassieke hard-geanodiseerde aluminium potten en een pan. En je kan je buitenkeuken naar wens verder uitbouwen met bestek, spatels, opscheplepels, watercontainers en spullen voor de afwas. 

    De juiste uitrusting hangt uiteindelijk vooral af van wat je ermee gaat doen. Soms wil je een complete maaltijd bereiden en van een ‘echt’ bord eten. Soms wil je na twintig kilometer wandelen vooral zo snel mogelijk heet water, eten en je slaapzak in. Zolang het buiten smaakt, is wat ons betreft de missie geslaagd…

    Winnaar WakaWaka Solar-energieset bekend!

    0

    Met de WakaWaka Solar 20 + Power 10-set wek je onderweg je eigen zonne-energie op én bewaar je die voor later. Handig voor trekkings, kampeertrips en andere avonturen ver weg van het stopcontact.

    Heel wat Far Out’ers waagden hun kans om zo’n superprijs te winnen, maar er kan er maar één met deze complete set aan de haal gaan.

    Gefeliciteerd aan:

    Esmee Vercaeren

    De winnaar krijgt de WakaWaka Solar 20 en Power 10 automatisch opgestuurd naar het opgegeven adres.

    Veel plezier ermee, Esmee – en op naar zonnige avonturen! ☀️

    #wakawaka #catchthesun #weareelements #faroutgreatoutdoors #winactie

    Getest in Australië: hoe goed slaap je met Sea to Summit?

    Sea to Summit test zijn materiaal niet alleen in een labo. Nieuwe producten worden in Australië mee de wildernis in genomen, onder meer naar de behoorlijk onverbiddelijke Kimberley. Dat verhaal brachten we eerder al op Far Out. Maar uiteindelijk telt ook nog een andere test: hoe doet diezelfde gear het tijdens een gewone kampeertrip? We trokken daarom zelf de West-Australische bush in. Twee weekends, twee totaal verschillende landschappen en koude winternachten inbegrepen.

    Tekst & foto’s: Sandra Gyles

    Australische winter en kamperen: het klinkt voor een Belg misschien als een vreemde combinatie. Overdag valt het inderdaad best mee. Tijdens onze weekends in juli en augustus tikte de thermometer bij een stralend blauwe hemel vlot 17 à 19°C aan. Zodra de zon verdween, was het een ander verhaal. ’s Nachts zakte de temperatuur tot ongeveer 3 à 5°C.

    Ideale omstandigheden dus om een aantal nieuwe Sea to Summit-producten uit te proberen. Centraal in onze test stonden de Women’s Spark donzen slaapzak en de nieuwe Ultralight XR Insulated-mat. Daarnaast namen we bewust ook ouder Sea to Summit-materiaal mee. Want hoe merkbaar is het verschil? En vooral: hoeveel comfort heb je eigenlijk nodig om goed buiten te slapen?

    Van graniet naar eucalyptusbos

    Voor de eerste test reden we in juli naar Elachbutting Rock, diep in de Wheatbelt van West-Australië. De enorme granietformatie ligt ten noordoosten van Mukinbudin en steekt als een eiland boven het vlakke landschap uit. Je vindt er een natuurlijke ‘wave’, grotten en Monty’s Pass, een ongeveer 30 meter lange tunnel die ontstond toen een gigantisch stuk rots loskwam.

    Onze tweede kampeerplek kon nauwelijks meer verschillen. Dryandra Woodland ligt zo’n 170 kilometer ten zuidoosten van Perth en bestaat uit open eucalyptusbossen, met onder meer wandoo en mallet. Het is een belangrijk natuurgebied en leefgebied van typische West-Australische soorten zoals de numbat, woylie en tammarwallaby.

    Rode aarde en enorme granietplaten tijdens het ene weekend, een beschut eucalyptusbos tijdens het andere. Wat beide gemeen hadden? Zodra het donker werd, ging de temperatuur behoorlijk snel naar beneden.

    Lichtgewicht versus lekker warm

    Mijn belangrijkste testcombinatie was de Women’s Spark -1°C met de Ultralight XR Insulated Air Sleeping Mat. Op papier een heel interessante set voor wie licht wil trekken.

    De Spark gebruikt 850+ fillpower ganzendons en de Women’s -1°C-versie heeft een ISO comfort rating van -1°C. De Ultralight XR combineert een dikte van 6,5 centimeter met een R-waarde van 3,6. In maat Small weegt de mat slechts 390 gram en meet hij 168 bij 55 centimeter. Een indrukwekkend kleine slaapset dus voor in de rugzak.

    En toch werd ik ’s nachts wakker van de kou. Niet één keer, maar verschillende keren. Ik lag op mijn geïsoleerde mat, in de Spark, met een liner, merino ondergoed, sokken, handschoenen én een muts. En nog had ik het koud. Ligt dat dan aan de slaapzak of mat? Niet noodzakelijk.

    Mijn testmaatje Mercedes lag enkele meters verderop namelijk heerlijk te slapen. Zij gebruikte mijn oudere, bredere Sea to Summit Camp Self Inflating-mat in combinatie met de Women’s Hamelin synthetische slaapzak en sliep naar eigen zeggen als een roos.

    De volgende nacht deden we dus wat iedere zichzelf respecterende materiaaltester zou doen: wisselen. Resultaat? Mercedes sliep opnieuw prima. Ik had het opnieuw koud. Case closed. Misschien ligt het probleem gewoon bij mij.

    Een temperatuurcijfer vertelt niet alles

    Het experiment illustreert vooral hoe persoonlijk een slaapsysteem is. Een temperatuurwaarde op een slaapzak is geen garantie dat iedereen zich bij die temperatuur hetzelfde voelt. Slaapzakratings worden onder gestandaardiseerde omstandigheden bepaald, terwijl je eigen warmteproductie, kleding, mat, wind, vochtigheid en zelfs hoe moe of hongerig je bent mee bepalen hoe warm een nacht aanvoelt.

    Voor mij is de conclusie daarom vrij duidelijk. Ook al kampeer ik ‘maar’ tijdens een West-Australische winter met temperaturen enkele graden boven nul, de volgende keer zou ik voor de warmere Women’s Spark -9°C kiezen. Niet omdat de -1°C-versie niet doet wat hij belooft, maar omdat ik blijkbaar een koude slaper ben en liever wat thermische reserve meeneem.

    Daar staat natuurlijk gewicht en pakvolume tegenover. En precies daar blinkt de Spark uit: voor de warmte die hij biedt, verdwijnt hij verbazingwekkend klein in je rugzak. Wie lange afstanden loopt en iedere gram telt, zal daar anders naar kijken dan iemand die zoals wij de kampeerplek met de auto kan bereiken.

    Small is ook echt small

    Met de Ultralight XR kwam ik tot een vergelijkbare conclusie. Technisch gezien paste de Small: hij is 168 centimeter lang en ik ben zelf eveneens 1,68 meter. Maar daarmee is ook alles gezegd.

    Ik slaap meestal op mijn zij, draai veel en hou ervan mijn benen wat te bewegen. Op koude grond wil ik bovendien niet wakker worden omdat een voet of onderbeen naast mijn geïsoleerde mat is beland. De taps toelopende vorm en lengte zijn voor mij daarom nét te minimalistisch. Voor Mercedes, ongeveer tien centimeter kleiner, rugslaper en veel minder beweeglijk, werkte dezelfde mat prima.

    En daar zit opnieuw de les. De Small is een uitstekende keuze als elke gram en centimeter in je rugzak telt en je lichaamslengte en slaapstijl erbij passen. Voor mezelf zou ik voor koudere trips minstens de Regular kiezen. En als comfort zwaarder weegt dan een paar honderd gram, vind ik een rechthoekige mat met meer ruimte aan de voeten nog prettiger.

    Grappig genoeg kwamen we daarmee ongeveer tot dezelfde conclusie als Sea to Summit-tester Tim Miller, die ons eerder vertelde dat hij zelf liever wat meer mat meeneemt dan ultralight te gaan. Na een paar koude nachten begrijp ik hem beter.

    Mummie of bewegingsvrijheid?

    Ook bij de slaapzak speelt lichaamsbouw en slaapstijl mee. Een mummiemodel zoals de Spark houdt het gewicht laag en beperkt de hoeveelheid lucht die je lichaam moet opwarmen. Dat is efficiënt. Tegelijk hou ik persoonlijk van wat bewegingsruimte rond mijn benen.

    De Women’s Spark Regular is bedoeld voor gebruikers tot ongeveer 1,70 meter. Met mijn 1,68 meter en gemiddelde lichaamsbouw pas ik er dus officieel prima in. Toch voelde hij voor mij compact. Niet verkeerd of te klein, maar ik merkte dat ik ’s nachts meer ruimte zou appreciëren. Mercedes had daar opnieuw veel minder last van.

    Wie een slaapzak koopt, doet er daarom goed aan hem niet alleen op lengte, gewicht en temperatuur te beoordelen. Ga er eens in liggen. Draai op je zij. Trek één been op. Beweeg zoals je ’s nachts ook beweegt. De slaapzak die theoretisch perfect bij je lengte past, hoeft niet degene te zijn waarin jij het liefst acht uur doorbrengt.

    Zijde of merino?

    We namen ook twee generaties liners mee. Mijn oude merinoliner voelt merkbaar warmer, iets wat tijdens deze koude nachten absoluut welkom was. De nieuwe Silk Blend Sleeping Bag Liner won voor mij dan weer op gevoel.

    Hij bestaat uit 72% Thermolite EcoMade en 28% zijde en is zacht, licht en veel aangenamer als je niet van het iets zwaardere gevoel van merino houdt. De nieuwe liner voegt eveneens isolatie toe, maar Sea to Summit positioneert hem in de eerste plaats rond comfort en een laag gewicht; wie vooral een stevige thermische boost zoekt, kijkt beter naar een warmere liner.

    Mijn keuze? Silk Blend voor mildere nachten en wanneer gewicht en gevoel primeren. Merino wanneer ik weet dat het écht koud wordt.

    Een tent met een gebruiksaanwijzing – letterlijk!

    Ook de Telos TR2 ging beide weekends mee. En daar leerde ik bij de eerste opzet meteen iets belangrijks: soms moet je gewoon de handleiding lezen. Ik deed dat uiteraard niet…

    De Telos gebruikt Sea to Summit’s opvallende Tension Ridge-constructie. De uiteinden van de dwarsliggende ridge pole moeten daarbij omhoog wijzen. Dat druist enigszins in tegen wat je intuïtief doet wanneer je al jaren klassieke trekkingtenten opzet. Bij Elachbutting Rock wees onze Tension Ridge dus vrolijk de verkeerde kant op. De tent stond. Maar niet zoals de ontwerpers het bedoeld hadden.

    Tijdens het tweede weekend in Dryandra deden we het wél goed en plots viel alles op zijn plaats. De omhooggebogen constructie creëert extra ruimte rond hoofd en schouders en maakt de zij-ingangen hoger. De tent is bovendien bijzonder eenvoudig op te zetten dankzij kleurcodes en slimme bevestigingspunten.

    Een van mijn favoriete details is het FairShare-systeem: de tent wordt verdeeld over drie zakken, zodat je hem makkelijk over verschillende rugzakken kunt verdelen. Die zakken zijn bovendien ruim genoeg. Een klein detail misschien, maar iedereen die ooit ’s ochtends heeft geprobeerd een natte tent terug in een veel te krap hoesje te proppen, weet hoe prettig dat is.

    Twee personen betekent twee personen

    De keerzijde van het lage gewicht merk je binnenin. Met twee slaapmatten naast elkaar is de vloer van de TR2 voor mijn gevoel behoorlijk gevuld. In vergelijking met mijn stokoude Nordisk tweepersoonstrekkingtent heb ik minder vrije binnenruimte voor losse spullen.

    Daar staat tegenover dat de Telos aan beide zijden een ingang en vestibule heeft. Je hoeft dus niet over elkaar heen te kruipen om ’s nachts naar buiten te gaan en beide kampeerders hebben buiten de binnentent eigen bergruimte voor schoenen en rugzak.

    Voor slecht weer zou ik zelf wel een footprint meenemen. Sea to Summit geeft aan dat die niet noodzakelijk is voor de waterdichtheid van de vloer, maar raadt hem aan om het relatief lichte grondzeil tegen slijtage en beschadiging te beschermen. Op de harde, soms scherpe West-Australische ondergrond lijkt me dat geen overbodige luxe.

    Kleine luxe: een echt kussen

    En dan is er nog de Aeros Down Pillow. Objectief gezien heb je natuurlijk geen donzen kussen nodig om buiten te overnachten. Maar wat extra comfort is echt heel welkom, zeker als het zo compact in je rugzak past!

    De constructie combineert een opblaasbare kern met een zachte donzen bovenlaag. Daardoor blijft het kussen extreem compact – de Regular weegt ongeveer 70 gram – maar voelt het minder als een klassiek opblaaskussen. Je kunt bovendien zelf bepalen hoe hard je het oppompt. Het is precies het soort product waarbij ultralight en comfort elkaar niet noodzakelijk in de weg zitten. Voor 70 gram hoef ik in ieder geval niet lang na te denken.

    De beste slaapset bestaat niet

    Na twee weekends testen kwam er dus geen duidelijke winnaar uit de bus. En eigenlijk is dat precies de interessantste conclusie.

    De Women’s Spark en Ultralight XR vormen samen een indrukwekkend lichte en compacte combinatie. Voor een trekker die kilometers maakt, weinig wil dragen en van nature warm slaapt, is dat een groot voordeel. Maar een kleine mat is alleen ideaal wanneer jij ook daadwerkelijk comfortabel op die kleine mat blijft liggen. En een slaapzak met een comfort rating van -1°C betekent niet automatisch dat iedere kampeerder bij 3°C heerlijk warm doorslaapt.

    Mercedes en ik sliepen in dezelfde Australische winter, op dezelfde kampeerplek en met vergelijkbaar materiaal. Zij sliep als een baby. Ik lag met muts, handschoenen en sokken aan te bedenken hoeveel warmer de -9°C-versie zou zijn.

    Dat is geen mislukte materiaaltest. Integendeel. Het bewijst vooral dat je een slaapsysteem als systeem moet bekijken: slaapzak, mat, liner, kleding en kussen werken samen, maar lichaamsbouw, slaapstijl en persoonlijke koudegevoeligheid zijn minstens zo belangrijk.

    Laat je daarom in een gespecialiseerde outdoorwinkel adviseren, probeer verschillende maten en vormen uit en wees eerlijk over het soort kampeerder dat je bent. Ultralight is fantastisch als je alles op je rug draagt. Een paar honderd gram extra is fantastisch als je daardoor acht uur slaapt in plaats van vijf. En ik? Ik heb inmiddels geaccepteerd dat ik misschien gewoon een tiencentimetermat-en–9°C-slaapzak-type ben.

     

    Drie items die je loopsnelheid naar omhoog brengen!

    Eerlijkheid duurt het langst en ondergetekende moet in alle eerlijkheid iets bekennen. Hoe getraind of ongetraind ik ook ben, hoe scherp of bolvormig ik ook sta, hoe uitgerust of moe ik ook aan de start sta… Als er tijdens een loopevent een nummer op mijn borst hangt en het event heeft nog maar enigszins de allure van een wedstrijd, dan sta ik in een modus die ik kort kan samenvatten: knallen! Hoe ik er ook voor sta, ik ga alles uit mezelf persen. In die zoektocht naar snelheid: 3 items die je beslist harder doen knallen…

    Tekst & foto’s: Jan Van Herck (@mental.training.be)

    Sockeloen Super Socks

    Van frustratie naar innovatie. Dat is kort samengevat het verhaal achter Sockeloen. Ex-profrenner Japer Ockeloen (what’s in a name) is namelijk van mening dat fiets- en loopsokken niet alleen stijlvoller maar ook aerodynamischer gemaakt kunnen worden. En als je bij geen enkel bestaand merk je gading vindt, dan rest er maar één ding. Zélf een bedrijf oprichten en verkopen wat je predikt (sell what you preach). En zo is 10 jaar geleden Sockeloen geboren.

    Aerodynamica, dat wordt (de titel van het artikel in het achterhoofd houdend) de belangrijkste blik waardoor we naar deze sokken gaan kijken. De verticale ribbels op de aero-sokken zorgen ervoor dat de lucht soepeler langs je been gaat, waardoor er minder wervelingen ontstaan en de weerstand sterk wordt verminderd. Bij fietsers levert dit een voordeel tot 10 watt op. Let wel, hier ligt de snelheid wel een pak hoger (40m km per uur) en speelt de luchtweerstand dus ook een grotere rol.

    De sokken zijn elastisch, hebben dus die verticale ribbels, en zitten 17 tot 19 centimeter hoog. Dat is redelijk hoog voor loopsokken, maar ze zitten prima en het oogt strak en competitief. Er zit trouwens elastaan in de sok verwerkt dus voor afzakken hoef je geen schrik te hebben. Door de naadloze teen hoef je ook geen schrik voor schuurplekken, irritaties of blaren te hebben. Of zoals Sockeloen het zou zeggen: laat je benen eruit zien als wapens…

    Tailwind Super Fuel

    Waar men de dag van vandaag letterlijk én figuurlijk de mond van vol heeft, is sportvoeding. Door de jaren heen is er een enorme kentering ingezet. Van het ‘zo weinig als mogelijk eten’ tijdens de training tot de ‘all you can eat’ van vandaag. Als het maar de zinvolle voedingsstoffen zoals koolhydraten en elektrolyten bevat. Enter Tailwind Nutrition en enter een persoonlijk drama voor Jeff Vierling tijdens een 100 mile lange mountainbike wedstrijd. De combinatie van een verkeerde voedingsstrategie, de bijhorende misselijkheid en de frustratie over een gemiste kans zetten ook hier een proces richting productontwikkeling in gang. Meer bepaald zet Tailwind actief in op gemakkelijk te verteren voedsel met een hoog koolhydraat gehalte.

    En dus is er sportdrank (in poedervorm) te verkrijgen in twee varianten. De Endurance Fuel mix met 50 gram koolhydraten en de High Carb Fuel met maar liefst 90 gram! Het huidige advies voor duursporters is om naar die 90 gram koolhydraten per uur te streven tijdens een event of wedstrijd en met dat laatste kom je er dus enkel door het drinken van Tailwind sportdrank. En wanneer je de Endurance Fuel (50 gram) combineert met 1 gel (of sportkoek) per uur dan heb je ook de nodige 90 gram koolhydraten binnen.

    Het grote voordeel van Tailwind is dat ze erg veel verschillende smaken hebben ontwikkeld (bessen, cola, appelsien, limoen, …) maar dat er ook een smaakloze variant op de markt is. Daarnaast heeft het merk niemand minder dan protrailrunner Courtney Dauwalter aan boord gehaald. Niet zomaar als promotie stunt maar om samen met haar nieuwe producten te ontwikkelen. En dus kan je de Dauwaltermelon-Lime variant bestellen. Heerlijke naam en dito smaak!

    Rest dé vraag: kan het lichaam dat aan en lukt het om zo’n grote inname van koolhydraten te verwerken? Uiteraard is zo’n antwoord hyper individueel. Maar één ding is zeker. Je kan het maar weten door het in de praktijk uit te testen. Voor langere trainingruns vind ik het heerlijk om 1 soft flask van 500 ml en 50 gram koolhydraten per uur te verbruiken. En dus hoef ik geen gel meer in te nemen tijdens een langere training. Tijdens een wedstrijd is een soft flask sportdrank en één gel per uur een interessante combo. Drink je een flask per uur, dan vul je deze met 50 gram koolhydraten. Drink je minder dan een flask of neem je nog water aan tijdens de bevoorrading? Dan zou ik de flask met 90 gram vullen. Alleszins zorgt Tailwind wat voeding betreft voor een duwtje in de rug…

    Salomon Super Shoes

    Een duw onder je voeten ervaar je dan weer van de Salomon S/Lab Phantasm 3 schoenen. Ze zien er futuristisch en aero uit, en dat zijn ze ook! De schoenen wegen maar 199 gram en er zit een heuse energy blade (lichtgewicht plaat in de tussendoor) in verwerkt om een snelle energie return te voorzien. Energie return in combinatie met een goede demping is hét recept van een hedendaagse super schoen, en dat biedt deze Phantasm 3. Deze carbonplaat in de schoen zorgt voor extra kracht en voortstuwing in je looppas en dit resulteert in een vlotte afzet en een gebalanceerd afrollen van hak naar voorvoet.

    Maar wat vooral opvalt en innovatief aan deze schoen is, is de afwerking aan de bovenzijde van de schoen. Deze is aerodynamisch geoptimaliseerd en het bedrijf heeft er een samenwerking met Swiss Side (aero experts) voor over gehad om dat te realiseren. In de praktijk ervaar je ook duidelijk de voordelen die in theorie beschreven staan. De schoen voelt vederlicht, dempt goed en is zeer responsief (door de carbonplaat over de hele schoen). Je wordt als het ware naar voor geduwd tijdens de run. Snel, sneller, snelst. Het enige waar je meer tijd aan moet besteden, is het aantrekken van de schoen. Dat duurt merkelijk langer omdat je ervoor moet zorgen dat de mesh en de aero sleeve perfect zitten vooraleer je kan starten met hardlopen. Maar wanneer de schoenen aan je voeten kleven, is het een schoen die zijn naam waar maakt. Fantastisch.

    Wat zeggen de sokken, de sportvoeding en de Phantasm 3 in de enige praktijk die er toe doet? Een wedstrijd! Dat moet de toekomst uitwijzen. Ik heb me alvast ingeschreven voor de Stayen Great Half, een halve marathon in en om Sint-Truiden. Een borstnummer opspelden en knallen. Aan het materiaal zal het alvast niet liggen…

    Van alm naar alm over de Salzburger Almenweg rond Filzmoos

    350 kilometer, 25 etappes en onderweg zo’n 120 almen: de Salzburger Almenweg viert dit jaar zijn twintigste verjaardag. Wij trokken in SalzburgerLand onze wandelschoenen aan voor twee dagen op de route rond Filzmoos. De hitte gooide onze oorspronkelijke plannen overhoop, maar dat bleek helemaal niet erg. En eenmaal aan het wandelen, bleek stoppen verrassend moeilijk.

    Tekst & foto’s: Sandra Gyles

    Het is ongewoon warm in Filzmoos, zelfs voor de zomer. Zo warm zelfs dat we ons oorspronkelijke wandelplan meteen bijstellen. In plaats van vanuit het dal eerst een paar uur stevig hoogte te winnen, nemen we de gondel naar boven. Geen heroïsche start dus, maar wel een verstandige. En eerlijk: niemand die daar rouwig om is.

    Zodra we uitstappen, zitten we meteen midden in het landschap waarvoor we gekomen zijn. Groene bergflanken, koeien in de wei, houten almen en daarachter de grillige toppen van het Dachsteinmassief. De Salzburger Almenweg heeft duidelijk geen lange aanloop nodig om indruk te maken.

    Van alm naar alm

    De Salzburger Almenweg slingert over 350 km door de Salzburger Pongau. De volledige langeafstandswandeling telt 25 etappes en verbindt zo’n 120 traditionele almen. Dit jaar bestaat de route twintig jaar. Je hoeft hem gelukkig niet in één ruk af te werken. De verschillende etappes laten zich combineren tot kortere meerdaagse tochten.

    Onze uitvalsbasis is Filzmoos, een compact bergdorp tussen het Dachsteinmassief en de markante Bischofsmütze. In en rond het dorp ligt meer dan 250 kilometer aan gemarkeerde wandelpaden, met ruim twintig bemande almen en hutten om onderweg neer te strijken. Onze route? Die passen we aan de omstandigheden aan: de eerste dag komen we uiteindelijk uit op net geen 10 km en 763 hoogtemeters.

    Bergweides in technicolor

    In het begin is het landschap bijna overdreven Oostenrijks. Koeien grazen op groene hellingen, hier en daar staat een houten hut en boven alles torenen de bergen uit. Je zou er spontaan een jodelsoundtrack bij verzinnen. Maar het zijn vooral de bloemen die de aandacht trekken: sommige hellingen lijken wel in technicolor geschilderd, met superintense kleuren geel, wit, roze en paars. Overal staat wel iets in bloei. En niet hier en daar een verdwaalde bloem, maar hele tapijten.

    Filzmoos staat dan ook bekend om zijn bloemenrijkdom. Niet toevallig loopt hier de Königinnenrunde, een wandelroute die de bijzondere alpenflora centraal stelt. Het landschap is tegelijk natuur- én cultuurlandschap. Al eeuwen trekken koeien, schapen en geiten in de zomer naar de almen. Die begrazing hielp mee het open landschap te vormen waarin vandaag zoveel verschillende planten groeien. Het levert onderweg prachtige taferelen op. Wij op een smal bergpad, koeien die zich weinig van onze aanwezigheid aantrekken en rondom een bloemenweide die zich tot aan de bergflanken uitstrekt.

    Het wordt rotsiger

    Hoe verder we wandelen, hoe meer het landschap van karakter verandert. De groene almen maken geleidelijk plaats voor rotsen en het pad wordt smaller. Op het stuk van de Linzerweg, wandelpad 601, richting Hofpürglhütte begint het echte hoogalpiene werk. Dit is voor mij een van de mooiste stukken van de tocht. Het pad kronkelt over en tussen de rotsen, met telkens nieuwe uitzichten op de omliggende bergen. Hier voelt de Almenweg ineens een stuk ruiger dan zijn naam misschien doet vermoeden. Geen wandeling van terras naar terras, maar een echt bergpad waarop je moet kijken waar je je voeten zet.

    De zon staat hoog, schaduw is schaars en onze watervoorraad begint gevaarlijk licht te worden. We weten dat de Hofpürglhütte dichterbij komt, maar eerst wacht nog een laatste stuk omhoog. Tot we water horen. Tussen de rotsen stroomt ijskoud bergwater naar beneden. Rugzak af, flessen open en vullen maar. Het is zo’n klein moment dat op papier weinig voorstelt, maar na uren wandelen in de warmte voelt het als pure luxe. Koud, fris en precies op het juiste moment. Daarna voelen de laatste kilometers weer even lichter.

    Een nacht in de bergen

    Op 1705 meter hoogte bereiken we de Hofpürglhütte, aan de voet van de Gosaukamm. Rugzak neer, schoenen uit en benen onder tafel voor een stevig bord pasta (tip: vraag een halve portie, die is meer dan groot genoeg!). Veel ingewikkelder hoeft een geslaagde wandelavond niet te zijn. De douche is al even simpel: koud, tenzij een jeton hebt waarmee je welgeteld drie minuten warm kan douchen.

    Een nacht in een berghut geeft een meerdaagse tocht bovendien iets wat je bij dagwandelingen mist. Je hoeft nergens meer heen. Geen transfer naar het hotel, geen rit terug naar het dal. De bergen waar je overdag doorheen wandelde, blijven gewoon buiten het raam staan. Wanneer de laatste dagwandelaars vertrekken, keert de rust terug. Eten, napraten, slapen. En de volgende ochtend begint de wandeling zodra we de deur uitstappen.

    Dag twee: vooral naar beneden

    Na het ontbijt trekken we opnieuw onze wandelschoenen aan. Ook vandaag wijken we af van het oorspronkelijke programma. Uiteindelijk leggen we 12,24 kilometer af. Strava registreert slechts 196 hoogtemeters omhoog, en dat klopt met het gevoel in de benen: vandaag gaat het vooral bergaf. Onderweg passeren we ook de Bachlalm, een plek die bekendstaat om haar marmotten. We kijken. We wachten. We turen naar de hellingen. Niets. Het is ondertussen alweer behoorlijk warm en de marmotten hebben kennelijk besloten dat onder de grond blijven een beter plan is. Geef ze eens ongelijk.

    We wandelen verder. En net wanneer niemand nog met marmotten bezig is, klinkt ergens langs de helling een scherp gefluit. Een vogel? Nee dus. Dit keer zien we ze wél: een paar marmotten tussen het groen. Het is een klein moment onderweg, maar vooral het geluid blijft hangen. Zo’n stevig, aaibaar uitziend bergdier en dan dat schelle alarmsignaal. Niet meteen wat je verwacht…

    Koeien, water en steeds meer bomen

    De route blijft dalen. We passeren koeien die zich weinig aantrekken van wandelaars en komen langs een heerlijke alm waar opnieuw water voor verkoeling zorgt. Precies het soort plek waar een pauze automatisch langer duurt dan gepland. Daarna sluiten de bomen zich steeds meer rond het pad. Na de open bergflanken van de voorbije anderhalve dag voelt het bos bijna als een andere wereld. Het zonlicht valt gefilterd door de kruinen, de temperatuur zakt merkbaar en onder onze voeten maken stenen plaats voor aarde en boomwortels.

    Op deze warme dag is de schaduw heerlijk. En er verandert nog iets. Hoger in de bergen waren we vaak alleen met onze eigen groep, de koeien en uiteindelijk toch een paar marmotten. Dichter bij Filzmoos komen we steeds meer wandelaars tegen. Mensen die vanuit het dorp een kortere tocht maken, gezinnen, dagwandelaars.Het toont meteen hoe toegankelijk het wandelgebied is. Je hoeft hier niet noodzakelijk met een rugzak voor meerdere dagen op pad. Je kunt net zo makkelijk vanuit Filzmoos een paar uur wandelen, lunchen op een alm en weer afdalen.

    Filzmoos als uitvalsbasis

    Dat maakt Filzmoos een handige plek om de Salzburger Almenweg te ontdekken zonder meteen alle 350 kilometer op je planning te zetten. Veel wandelingen beginnen in of rond het dorp en de bergen liggen letterlijk aan alle kanten.

    Wij verblijven voor en na onze hutovernachting in Aparthotel Jagdhof, centraal in Filzmoos. Dat blijkt ideaal voor onze korte meerdaagse tocht. Alles wat we voor de nacht in de Hofpürglhütte niet nodig hebben, kan gewoon achterblijven. Een dag later staan onze spullen weer klaar en lonken het zwembad (waar je met de Salzburg Card die je bij je accommodatie krijgt gratis gebruik van kan maken), het hotelrestaurant en een gewoon bed.

    Blijven wandelen

    Na twee wandeldagen zit onze trip erop. Tenminste, dat is de bedoeling. Ik besluit mijn verblijf nog wat te verlengen en reis door naar Salzburg. Toevallig ben ik in Salzburg wanneer het Salzburger Stadtfest plaatsvindt. De binnenstad bruist: muziek, podia, eten, drinken en overal mensen. Na twee dagen in de bergen is het contrast behoorlijk groot. En toch blijkt stilte verrassend dichtbij. Vanaf de oude stad trek ik de Mönchsberg op. Een paar minuten klimmen en het geluid van de straten verdwijnt achter me.

    Bomen nemen de plaats in van gevels en plots wandel ik langs oude stadsmuren en verdedigingswerken. Wat me vooral verbaast: ik kom bijna niemand tegen. Beneden zit de stad vol festivalgangers, boven wandel ik alleen. Af en toe opent het groen zich en verschijnt Salzburg beneden, met zijn kerktorens, en koepels, de Salzachrivier en in de verte opnieuw de bergen. Ik ben duidelijk nog niet uitgewandeld…

     

    Wind- en kitesurfen in Zeeland: ‘DAMned’ goed!

    Er zijn twee dingen waar wind- en kitesurfers altijd naar op zoek zijn: wind en een parkeerplaats óp de spot. Langs de Noordzeekust is wind meestal wel voorhanden, maar op tal van plaatsen is de bereikbaarheid voor surfers behoorlijk beperkt. Niet zo in het Nederlandse Zeeland en al helemaal niet op de ‘Dam’. We gaan wind- en kitesurfen in Zeeland!

    Tekst en foto’s: Bert Romani

    Oorspronkelijk artikel 9/4/2020. Update 10/08/2026 –
    Goed om weten: de Brouwersdam staat in de top 20 van beste plekken in Europa om te leren kitesurfen,
    als een van twee Nederlandse spots in die lijst, vlak bij de Belgische grens. De studie is van KiteReady,
    een gratis tool die 245 spots in realtime beoordeelt op wind, richting en getij, per niveau.
    De volledige ranglijst vond je hier: https://kiteready.app/nl/blog/meilleurs-spots-kitesurf-debutants-europe

    Wind- en kitesurfen in Zeeland

    Het is doordeweeks en er staat een licht briesje, een knoop of 15 uit het westen. Op de Brouwersdam het bekende beeld: campers uit Duitsland, België en Nederlanders met aanhangwagens vol spullen. De eerste kites hangen al in de lucht en windsurfers twijfelen of ze een acht meter optuigen voor een slalomsetje of nog even wachten tot de wind wat aantrekt en ze meteen met hun freestylewaveboard het water op kunnen.

    De sfeer is relaxed onder al wie gaat wind- en kitesurfen in Zeeland. De één knutselt wat aan zijn camper, de ander tuigt een nieuw zeiltje op of repareert zijn giek. Verderop op strand crossen de blowcarts door het zand, laten mensen hun hond uit en rennen kinderen met hun vlieger. De wind is hier de baas en bepaalt het ritme van de dag. Aan de andere kant van de Dam hetzelfde tafereel. Vlakwaterpiloten met grote zeilen scheren over de Grevelingen. Kinderen leren in een kleine, afgeschermde lagune hun eerste rakjes en luisteren aandachtig naar de surfinstructeur.

    De Belgische kust verpest?

    Later spreek ik een paar surfers uit Antwerpen, die het er snel over eens zijn: de kust in België is verpest. Te druk met toeristen en veel te ver van het water moeten parkeren, zijn de meest gehoorde argumenten waarom ze liever een uurtje langer rijden naar de Dam of andere toplocaties in Zeeland. Wie wil wind- en kitesurfen in Zeeland heeft hier de keus en eigenlijk kun je met bijna alle windrichtingen de juiste startplek vinden. Parkeren voor de deur, gratis voor zolang het nog duurt en alleen in drukke zomerse weekenden is het vroeg opstaan om het beste startplekje te bemachtigen. “Vaak blijven we het hele weekend, zeker op dagen dat de wind goed is”, aldus een van de fanatieke kiters uit Gent. “We rijden dan even naar de camperplek, want vrij kamperen op de Brouwersdam of waar dan ook in Zeeland is verboden en de politie controleert regelmatig.”

    Kamperen aan zee

    Dit lik-op-stukbeleid van de politie is bekend bij de surfers en daarom hebben heel wat boeren hun weiland omgetoverd tot een functionele overnachtingsplek. De dichtstbijzijnde is camperplaats Brouwersdam, met 34 verharde wegrijplekken op slechts 250 meter van het Noordzeestrand. Daarnaast beschikken ze over comfortplaatsen met water en afvoer op de plek zelf. De kosten variëren tussen de 14,50 en 20 euro per dag. Ook bij Renesse en Scharendijke liggen verschillende campings en scoor je een betaalbare overnachting. En voor wie in de avonduren op stap wil, is Renesse the place to be!

    Zowel op de Brouwersdam als aan de Grevelingen vind je tevens goede winkels met een ruim assortiment aan wind- en kitesurfspullen. Je kunt ze er kopen of huren. Dus ook als je geen eigen materiaal hebt, kun je wind- en kitesurfen in Zeeland. Bovendien kun je er materiaal laten repareren bij schade. Ook wat betreft eten en drinken, kom je hier niets te kort. Vanaf het beschutte terras kijk je uit over of de Grevelingen of de Noordzee en krijg je tegen redelijke prijzen prima te eten.

    Te water

    Inmiddels heb ik mijn 5,8 opgetuigd en schuif ik mijn favoriete board van 106 liter in het zoute water. De eerste honderd meter is de wind een beetje vlagerig, maar dan komt de wind vol door en schiet ik over de korte golfslag. Door de stroming van eb en vloed is het een beetje ‘choppie’, maar dat is eenieder die hier vaker komt wel gewend. Ik vaar lekker ver naar buiten. Niet te ver, want je mag niet meer in de buurt komen van de zandbanken waar de vele zeehonden uitrusten bij laag tij. Samen met een paar kiters kruisen we op, om dan lekker ruime wind terug te knallen…de ‘Dam’ doemt al weer op en vlakbij het strand maak ik mijn gijp. We kunnen nog wel een paar rakjes. Het is weer Damned Good!

    Wind- en kitesurfen in Zeeland

    Topspots

    Top 3 Binnenwater
    – Grevelingen
    – Schotsman-Veerse Meer
    – Oesterdam

    Top 3 Noordzee
    – Domburg
    – Brouwersdam
    – Vrouwenpolder

    Top 3 bezienswaardigheden
    – Deltawerken
    – De vuurtorens van Zeeland
    – De molens van Zeeland

    De molens van Zeeland

    In Zeeland staan er 75 complete windmolens. Sommige molens zijn op zaterdag te bezichtigen, als de wieken draaien. De oudste molen staat in Sint-Annaland en is gebouwd in 1684.

    Surf- en kitelessen

    Op elke spot in Zeeland kan je windsurf- of kitesurfles krijgen. Er zijn meer dan vijf kitesurfscholen actief in de regio voor wie wil wind- en kitesurfen in Zeeland. Kijk op www.vvvzeeland.nl voor meer informatie.

     

    Meer waterpret

    Knallen op vlak water

    Wind- en kitesurfen in Zeeland en op zee is natuurlijk waanzinnig gaaf. Het gevoel om een golf af te rijden is uniek. Maar, je hebt niet altijd mooie golven op de Noordzee. Het water kan onrustig zijn, met korte, steile kabbelgolven waar je eerder van gaat stuiteren dan mooi van kan genieten. Andere keren zit de windrichting of staat het tij niet goed. Op dat soort dagen is binnenwater een prima alternatief.

    Een lekker slalomboard of freeraceboard met een grote vin, een zeil met veel power en knallen. Veel windsurfers hebben een aanhanger vol spullen en kiezen regelmatig voor het vlakkere water van de grote binnenwateren van Zeeland. De Grevelingen is dan favoriet, maar ook de Schotsman aan het Veerse Meer en de Oesterdam worden graag bezocht. De een om lekker te surfen, de ander met een gps-meter om de arm om een persoonlijk speedrecord te verbeteren.

    Let op: kitesurfers mogen niet op het Veerse Meer en zijn aangewezen op het strand van Vrouwenpolder, ten noordoosten van het dorp. Parkeren kan aan de rechterkant van de N57. Even over de brug kom je op het strand. Bovendien wordt de kiters verzocht afstand te nemen van badgasten en de volle delen van het strand te mijden. Zie de borden bij de strandopgang.

    Foilen

    De nieuwste trend binnen de waterfunsporten is zonder meer foilen. Met een soort draagvleugel onder het surfboard of kiteboard ontstaat een lift waardoor het board boven het wateroppervlak zweeft. Een nieuwe uitdaging voor de geoefende wind- en kitesurfers. Denk niet dat je zomaar even wegvaart op een met foil uitgerust board. Het vraagt oefening en geduld om deze nieuwe sport onder de knie te krijgen. Bovendien heb je de garantie van diep water nodig want een foil steekt minstens 70 tot 80 cm diep. De shops, windsurf- en kitesurfscholen in Zeeland bieden cursussen aan en je kunt er materiaal huren en testen.

    SummerCamps

    Dat de mooie beachsporten favoriet zijn in Zeeland is niet vreemd, met zo veel mogelijkheden voor zowel cracks als beginners. Voor de jeugd van 10 tot 17 jaar worden er ook superleuke SummerCamps georganiseerd door O’Neill. Gedurende een week maak je kennis met verschillende facetten van de surfsport en kun je leren kitesurfen, windsurfen, wakeboarden of golfsurfen. Je verblijft op een surfcamping, viert feest rond het kampvuur en leert longboarden door de duinen. Kijk op www.oneillsummercamps.nl voor meer informatie.

    Toch in België? Dit zijn de surfclubs en watersportclubs in België.